Werkwoorden

Werkwoorden

Gebruik je werkwoordschema! Vul dan de juiste vorm van het werkwoord in.

Ter Dreef, Merchtem
4de leerjaar
Juf Jana, Kathleen en Anne-Mie
plaatsen -- Pipi Langkous de pot op het vuur.
snipperen-- Het meisje een ui in kleine blokjes.
snijden -- Zij de drie tomaten in kleine stukjes.
worden -- jij tante?
smelten -- Moeder de boter in de pan.
gooien -- Ik ook een paar spekjes in de pan.
roeren -- Al maakt Pipi de soep.
kruiden -- Nadien mama het vlees.
nemen -- Nu ze het gehakt.
sudderen -- De saus begint al te .
versieren -- Op het eind Heike het koekje nog met een smartie.
worden -- Na een uurtje is het glazuur hard .
houden -- Jan van vliegers.
kunnen -- Ik er bijna niet in.
verven -- Ester heeft het flesje bruin .
snijden -- jij je eigen vingers?
snijden -- Jij je eigen vingers.
worden -- Bovendien op diertjes gejaagd.
verbinden -- Daarvoor men grote stukken bos met elkaar.
vinden -- Ik dolfijnen leuke dieren.
vinden -- Papa dolfijnen ook leuk.
uitroeien -- Men denkt dat jij al bijna volledig is .
dreigen -- De soort dan ook uit te sterven.
worden -- Ook het nijlpaard met uitsterven bedreigd.
vinden -- Je heel wat geneeskrachtige kruiden in de natuur.