Is het d of t ?

Vul in met d of t.

Zie je een werkwoord? Pas de werkwoordregels toe.
Zie je een naamwoord? Verleng het woord. Hoor je t, schrijf dan t. Hoor je d, schrijf d.

Veel succes,
juf Jana
Op het paar zit een man met een baar.
Hij maak een ri.
Opeens ziet hij bran in het huis op het lan.
Daar woon een vrien van hem.
Maar die is naar het stran.
Dan hoor hij een hon blaffen en janken.
De man trap de eur in.
Het bees lig met zijn ban vast in de man.
Gauw maak hij hem los.
Buiten lik de hond zijn han.