Vul de klanken aan tot woorden.
Een tip: De woordjes in elke groep rijmen op elkaar.
Ter Dreef, Merchtem
2de leerjaar
Met een b ben ik een plek vol bomen.
Met een l ben ik niet vast.
Met een m ben ik een klein plantje dat groeit op de bodem van het bos.
Met een klinker vooraan ben ik familie van een koe.
Met een v hoor ik in een afvalzak en niet in een bos.
Met een b kom ik op je hoofd te staan als je valt.
Met een k ben ik een diepe put.
Zonder een letter vooraan ben ik een wijze vogel uit het bos.
Met een z schijn ik op een mooie lentedag.
Met een t vooraan kan ik regenwater opvangen.
Met een n ben ik een ander woord voor een zuster.
Met een w stroom ik door een zuiver beekje.
Met een k ben ik de vader van kleine poesjes.
Met een l ben ik niet vroeger maar wel ...
Met een r val ik als water uit de lucht.
Met een n kom ik net voor tien.
Met een v gebruik ik een borstel om onze speelplaats netjes te maken.
Met st is het een vieze lucht.
Met een b kun je erop uitrusten.
Met pl is het een lang stuk hout.
Met t doe je er benzine in.
Met een b loopt het afvalwater door mij heen.
Met een m ben ik een klein diertje dat kaas lust.
Met een h wonen er mensen in.
Ben ik juist?
OK